 |
De spectaculairste sporen van de oudste aanwezigheid van de mens in Rotselaar werden in de jaren 1977-1979 ontdekt, bij grootscheepse baggerwerken voor de aanleg van de A2-E314. De zandwinningsput die toen ontstond vulde zich met water, en vormt vandaag het ‘meer’ van Rotselaar. Bij de zandopspuitingen werden massa's artefacten uit de Oude Steentijd (Midden-Paleolithicum, ca. 100.000-35.000 v. Chr.) aan de oppervlakte geworpen, naast tientallen fossiele resten van mammoeten, wolharige neushoorns en andere dieren die hier ronddwaalden tijdens de laatste IJstijd. Men neemt aan dat de toenmalige jagers de Rotselaarse heuvelruggen benutten als uitzichtspunten vanwaar de rondtrekkende kudden wilde dieren gemakkelijk gezien konden worden. Enkele losse, verspreide vondsten op en nabij de Rotselaarse heuvels wijzen inderdaad op menselijke aanwezigheid. Het betreft vijf vindplaatsen op en aan de voet van de Heikantberg, drie oppervlaktevondsten (een klein aantal silex-artefacten) op de westelijke en zuidwestelijke helling van de Middelberg (hoogtelijn 57,5 en 55 m) en ter hoogte van de Paternosterstraat nr. 35 (30 m), en enkele stenen voorwerpen op de Wijngaardberg; sommige daarvan lijken uit het Mesolithicum te dateren (Midden-Steentijd, ca. 8.000-5400 v. Chr.).
Uit het daaropvolgende Neolithicum (Nieuwe Steentijd), toen de mens een sedentair bestaan ging leiden, zijn in Rotselaar nog geen sporen gevonden. In de Keltische tijd (700-57 v. Chr.) werden sommige Hagelandse heuvelplateaus omgevormd tot versterkte vluchtnederzettingen, zoals de Kesselberg (uit de La Tène-periode, 450-57 v. Chr.), waarvan de aarden wal deels nog zichtbaar is. Maar op de eerder smalle Rotselaarse heuvelruggen heeft men dit niet kunnen vaststellen. Wel werd enkele jaren geleden nabij de Dijle in Rotselaar een Eburonen-munt gevonden, van een munttype dat werd geslagen om de opstand van Ambiorix tegen de Romeinen te financieren.
Uit de Romeinse periode (57 v. Chr.-5de eeuw) zijn in het noorden van het Hageland tot nu toe zeer weinig sporen van Romeinse bewoning teruggevonden, dit in schril contrast met de zuidelijke rand van het Hageland, op de overgang met het vruchtbare Brabantse leemplateau op de lijn Leuven-Tienen. Daarom is de vondst van een Romeinse villa in 2002, vlak aan de rotonde, tijdens de aanleg van de carpoolparking, zo belangrijk. Een Romeinse villa was een grote landbouwuitbating, meestal de kern van het grootgrondbezit van een welstellende, inheemse Gallo-Romeinse familie. De resultaten van het onderzoek laten nog even op zich wachten; maar in ieder geval werden er fundamenten aangetroffen in ijzerzandsteen, wat hoogstwaarschijnlijk in de richting wijst van een lokale steengroeve op een Wezemaalse of Rotselaarse heuvel. Wellicht dateert deze bouwfase van de villa uit de 2de eeuw. En de ‘Heirbaan’ dan ? Laat je niet misleiden: deze kaarsechte weg werd aangelegd in de 19de eeuw!
|
 |
 |
Het ziet er dus naar uit dat de Rotselaarse heuvels sinds de Midden-Steentijd onbewoond zijn gebleven, tot in de jaren 1960. Waren de ruwe ‘bergen’ voor jagers nog interessante pleisterplaatsen, voor de sedentaire landbouwers uit de latere eeuwen waren ze geen geschikte bewoningsplaats. De vroegste landbouwers zochten immers gemakkelijk te bewerken gronden op, niet ver van bronnen of waterlopen, dus op enige afstand van de heuvels Op die plaatsen ontstonden dan ook, tijdens de Vroege Middeleeuwen (Frankische en Karolingische periode, 5de-9de eeuw), de huidige dorpskommen en de gehuchten van Rotselaar en Wezemaal. De woonkernen het dichtst bij een heuvelrug waren het Frankische gehucht Bexem (te Rotselaar-Heikant, in de buurt van het Rega’s Hof), en de dorpskom van Wezemaal (oudste vermelding van dorp en kerk: 1044).
|
 |