Een versteende zandbank

De Middelberg is een langgerekte oost-west-gerichte ijzerzandsteenbank, met steile flanken, waarvan de hoogte geleidelijk afneemt van west (58 m) naar oost. In het oosten, nabij de grens met Gelrode (Aarschot), verheft zich een kleine sub-top, de “IJzerenberg” (50 m).

De Middelberg behoort, samen met de Heikantberg, de Wijngaardberg en de Beninksberg, tot de noordwestelijke uitlopers van de Hagelandse heuvelruggen. Het Hageland is een overgangsgebied tussen het glooiende Brabantse leemplateau, in het zuiden, en de zandige Zuiderkempen, ten noorden van de Demer. De Hagelandse heuvelruggen strekken zich alle uit van het westen-zuidwesten naar het oosten-noordoosten. Dezelfde oriëntatie herkent men in België nog op andere plaatsen: de heuvels van de Condroz, maar ook ... de zandbanken voor de Belgische kust.

De oorsprong van deze harde ijzerzandstenen banken ligt inderdaad in de zee. Tijdens een groot deel van het Tertiaire tijdperk (70-1 miljoen jaar geleden) lag noord-oost-Brabant onder de zeespiegel. Zo'n 15 miljoen jaar geleden ontstonden er in deze zee sterke getijdenstromingen; er werden zeer dikke lagen glauconiethoudende zanden afgezet, terwijl de stromingen diepe geulen sloegen in de oudere afzettingslagen. Het glauconiet bevatte veel ijzer. Toen de zee zich nadien begon terug te trekken, traden de zandbanken in contact met de lucht : zij begonnen te verharden, en door oxydatie van het ijzer kregen deze banken hun typische roestbruine kleur. Naarmate de zee zich verder en verder verwijderde, werden de geulen tussen de banken steeds dieper uitgespoeld. Uiteindelijk bleef een oeroud zandbankenlandschap achter op het drooggekomen land : het Hageland was geboren.

Tijdens de laatste IJstijd voerden windstormen zand en leem aan en bedekten de heuvels met een dikke laag zand en leem. In het noordelijke Hageland gleed dit materiaal door de werking van vorst en regen van de steile heuvelhellingen, waardoor op de toppen de tertiaire steenlaag weer aan de oppervlakte trad. Zo vormde zich de bodemverscheidenheid van het noordelijke deel van het Hageland : schrale, stenige zandsteenruggen, waar het Tertiaire Diestiaan dagzoomt, lemig zand aan de voet van de heuvelhellingen, en jongere kleiafzettingen in de rivierdalen, zoals in de Demer- en Wingevallei. De geologische benaming "Diestiaan" die men aan deze zandsteensoort gegeven heeft is afgeleid van het stadje Diest, dat temidden van dergelijke ijzerzandstenen opduikingen gelegen is.



Zo'n 15 miljoen jaar geleden ontstonden er in deze zee sterke getijdenstromingen; er werden zeer dikke lagen glauconiethoudende zanden afgezet, terwijl de stromingen diepe geulen sloegen in de oudere afzettingslagen. Het glauconiet bevatte veel ijzer. Toen de zee zich nadien begon terug te trekken, traden de zandbanken in contact met de lucht : zij begonnen te verharden, en door oxydatie van het ijzer kregen deze banken hun typische roestbruine kleur. Naarmate de zee zich verder en verder verwijderde, werden de geulen tussen de banken steeds dieper uitgespoeld. Uiteindelijk bleef een oeroud zandbankenlandschap achter op het drooggekomen land : het Hageland was geboren. Tijdens de laatste IJstijd voerden windstormen zand en leem aan en bedekten de heuvels met een dikke laag zand en leem. In het noordelijke Hageland gleed dit materiaal door de werking van vorst en regen van de steile heuvelhellingen, waardoor op de toppen de tertiaire steenlaag weer aan de oppervlakte trad. Zo vormde zich de bodemverscheidenheid van het noordelijke deel van het Hageland : schrale, stenige zandsteenruggen, waar het Tertiaire Diestiaan dagzoomt, lemig zand aan de voet van de heuvelhellingen, en jongere kleiafzettingen in de rivierdalen, zoals in de Demer- en Wingevallei. De geologische benaming "Diestiaan" die men aan deze zandsteensoort gegeven heeft is afgeleid van het stadje Diest, dat temidden van dergelijke ijzerzandstenen opduikingen gelegen is.



IJzererts op de Middelberg Van prehistorie tot Middeleeuwen