Het overgrote deel van het bos- en heidegebied op en tussen de Heikenat- en Middelberg was eigendom van de heren van Rotselaar en hun opvolgers, de hertogen van Aarschot, eerst uit het machtige huis van Croÿ (1516-1612), nadien, tot aan de Franse Revolutie, uit het al even aanzienlijke geslacht van Arenberg. De oudste vermelde Rotselaarse heuvel is de Heikantberg, toen nog de ‘Rodeberg’ geheten (1265), wat wijst op enkele bosrooiingen (letterlijk: ‘gerooide berg’).

De Middelberg ontleende zijn (eveneens middeleeuwse) naam aan zijn ligging tussen de Heikant- en Wijngaardberg (die laatste naam kreeg die heuvel pas in de periode 1815-1850, toen daar een grootschalig wijnbouwexperiment werd opgezet). De bossen op de Rode- en Middelberg besloegen rond 1440 nog meer dan 175 hectaren, of 10,8 % van de totale oppervlakte van Rotselaar van vóór de gemeentefusies in 1977. Het was de inwoners van Rotselaar verboden om het bos te betreden. Maar hout was in die tijd een levensnoodzakelijk goed: als constructiemateriaal voor woningen en allerlei werktuigen, en als brandstof. Door de bevolkingstoename na de depressie van de 14de eeuw waren in het begin van de 15de eeuw in de rest van Rotselaar alle bossen van betekenis verdwenen.

In de vallei tussen Rode- en Middelberg lagen de woeste of ‘gemene’ (= gemeenschappelijke) gronden, waarop de dorpelingen vrije gebruiksrechten genoten. Dat heidegebied werd gebruikt voor het weiden van vee, men stak er heideplaggen en turf, men vond er sprokkelhout, twijgen, en joeg er op konijnen en vogels. Vooral voor de arme dorspbewoners (toch een 25% van de bevolking) worden deze ‘waardeloze’ gronden een levensnoodzakelijke overlevingsbron. Door de bevolkingstoename was rond 1400 door overbekapping en overbeweiding alle bomen in de vallei verdwenen; het gebied bestond sindsdien uit laag kreupelhout en vooral heide. In het uitgeturfd gebied ten zuiden van Zallaken hadden zich enkele brede vennen gevormd. De grootgrondbezitters (de heren van Rotselaar en de abdij Vrouwenpark) waakten angstvallig over hun uitgestrekte privébossen op de heuvels (Vrouwenpark bezat bovendien een uitgestrekt eikenbos, het ‘Kloosterbos’, ten zuiden van de huidige steenweg Leuven-Aarschot).

Maar de druk op de woeste gronden en de bossen werd zo groot, dat de heer van Rotselaar in 1419 het toezicht op de heerlijke bossen versoepelde: er werden nog “slechts” twee heerlijke boswachters aangesteld, en de boetes voor inbreuken in het hoogstammig deel werden beperkt. In 1447 nam hij de gemene gronden in de vallei in bescherming en verbood hij elke verdere verkaveling.


Nadat het adellijk geslacht van Rotselaar uitstierf en het dorp in 1516 handen was gekomen van vreemde, superrrijke adellijke families, werd het beheer van de bossen verwaarloosd. In 1598 werd het bosgebied van de hertog van Aarschot omschreven als “quaede schavyen (waardeloze gronden) ende savelachtige landen ende bosschen”, en in 1686 werden de bossen bestempeld als “slechte heybosschen”. De oudste kaart van de beide heuvels (1605) geeft de bossen weer van Karel van Croÿ, hertog van Aarschot (1595-1612), op de Heikantberg en de Middelberg, en de tussenliggende heidezone. De kaart is gericht naar het westen, het noorden ligt dus links. Links zien we het uitgestrekte bos op de Middelberg, dat links geflankeerd wordt door de oude weg van Leuven naar Aarschot (grotendeels de huidige Olivierstraat) en de grens van de baronie Wezemaal. Rechts bevindt zich het wat kleinere boscomplex van de Rodeberg (vervormd tot ‘Raasberg’). Rechts van de Rodeberg slingert zich de weg van de Heikant naar het gehucht Zallaken (onderaan), de huidige Kwikstaartweg. De Rodeberg werd in het noordwesten en het westen geflankeerd door een heidegordel (waarvan vanaf het einde van de 17de eeuw de naam ‘Heikant’ zou worden afgeleid). Aan de zuidkant gaat het hoogstammig bos van de Rodeberg over in een zone met kreupelhout. De depressie tussen de beide heuvelruggen werd volledig ingenomen door een heideveld. In de oostelijke heidezone, die zich verbreedde tot tegen het gehucht Zallaken, lagen enkele uitgestrekte, oude turfvennen. De contouren van de hertogelijke bossen te Rotselaar-Heikant bleven nagenoeg ongewijzigd tot aan het einde van het Ancien Régime, zoals we kunnen zien op de grote wandkaart van de baronie Rotselaar uit 1765, door landmeter Jan-Baptist Joris. Van het gedeelte van deze wandkaart met daarop de bossen te Rotselaar maakte dezelfde landmeter in 1767 een vereenvoudigde kopie.
Na de langdurige oorlogsperiode onder het bewind van de Franse koning Lodewijk XIV (1651-1715), werd het beheer van de bossen gerationaliseerd. Toen bestond het boscomplex, toen nog steeds 165 hectare groot, nagenoeg volledig uit schaarhout. Het schaarhout was normaal op zeven jaar volgroeid. Aanvankelijk werd alle schaarhout van Rotselaar in hetzelfde jaar verkocht en gerooid. Na 1735 ging men over tot een splitsing in twee rooihelften: enerzijds werd het ‘Raatsbergbos’ (Heikantberg) en een deel van het Middelbergbos gekapt, en anderzijds, enkele jaren later, het andere deel van het Middelbergbos en een kleiner bos elders in Rotselaar. Men voerde deze opdeling in omdat door de aanvankelijk slechte toestand van de bossen niet alle bospercelen gelijktijdig ‘rijp’ waren. Na elke zevenjaarlijkse rooiing werden nieuwe schaarhouttakken aangeplant. Door deze maatregelen nam de productiviteit van de bossen aanzienlijk toe. De kopers waren groothandelaars, die meerdere loten opkochten en zorgden voor de verder distributie en de uitvoer van het hout. Een deel van het hout werd vooraf omgezet in houtskool door houtskoolbranders. Het transport van het hout en de houtskool gebeurde per trekschuit, het meest geschikte bulktransportmiddel uit die tijd. Voor de verkoop van het hout of de houtskool moesten de handelaars hun vracht laten meten en moesten zij stapelrecht betalen (het ‘amergeld’) op één van de drie de laad- en losplaatsen of ‘amers’ in de baronie Rotselaar (Wakkerzeel, Haacht en Ninde, onder Werchter). De houtuitvoer was belangrijk: tussen 1777 en 1794 werden in de baronie Rotselaar minimum 1.119.000 bundels hout gestapeld, of jaarlijks gemiddeld 62.166,6 bundels (ca. 1.934m⊃3;). De belangrijkste stapelplaats was de nieuwe amer van Ninde (1777): ruim 65% van alle hout uit de baronie Rotselaar werd daar gestapeld en verhandeld.





De galgen van de Middelberg De Wijn van Rotselaar